2009
1 mei Lissabon
Het is donderdagavond 29 april: consul Jan neemt in naam van de koningin de voor haar bedoelde verjaardagswensen in ontvangst van leden van het corps diplomatique en de minuscule Nederlandse gemeenschap van Guiné-Bissau , die onmiddellijk bij aankomst in de tuin door de consul zelf getooid worden met een plastic oranje hoedje. Jan heeft met zijn personeel weer een gezellige feest- en ontmoetingsruimte neergezet, waarin niet alleen de jolige hoofddeksels maar ook overige oranje en loodwitblauwe accenten, foto’s van molens en bollenvelden en Hollandse smaken van een bepaald in Amsterdam gebrouwen bier, haring en oranjebitter de geest van het vaderland dichterbij brengen. Voor het eerst sinds een jaar ontmoet ik er verpleger Johannes, die me vertelt hoe hij op 2 maart de belastende taak had om twee uren lang samen met twee dokters en een andere verpleger het zwaar gehavende lichaam van Nino op te knappen. De verhalen van mijn buurtgenoten blijken wat zwaar aangezet te zijn geweest, van in stukken snijden is geen sprake geweest, maar wel had hij meerdere sneden in zijn lichaam en ook was zijn borstkas opengesneden, maar er was niets “uitgehaald”, en zijn gezicht was ongeschonden. Dat laatste stelt me op de een of andere manier gerust.
Om 22.00 uur zijn de ambassadeurs vertrokken, mogen de colberts uit en de stropdassen af en wordt het zo gezellig dat we samen liederen van André Hazes ten gehore brengen, waarbij het koor van Nederlandse Bissau-mannen en -vrouwen wordt uitgebreid met een tijdelijk in het land verblijvende Nederlander met een grijze krullenbol en een missie: hij komt op voor de apen in Guiné-Bissau. Zo hebben we allemaal onze prioriteiten.
Het afscheid van Bruno gisteravond was rustig, de pijn werd verzacht door de mogelijkheid van een spoedig weerzien en meer nog door de zekerheid van een nieuwe wil: de wederzijdse wil om elkaar niet te verliezen. Ik ben blij met de kalme vreugde die ik op het laatste moment voordat ik naar de vertrekhal liep, in Bruno’s ogen zag. Ik word in mijn gelukzalige mijmeringen over die zachtmoedige, trouwe en lieve jongen gestoord als met een hydraulische zucht pal voor mijn tafeltje op het terras op het Rossio een bus met toeristen tot stilstand komt en leegloopt. Ik zie het meteen, het zijn Nederlanders. Het biedt het overbekende tafereel van een groep van oudere dames en heren, die niettemin jeugdig gekleed en gekortebroekt zijn, een linnen rugzakje over schouder of arm dragen en in veelkleurige stadsplannen en toeristengidsjes bladeren. Ook ontbreken de doorgaans potsierlijke want te kleine en op dit moment van de dag zelfs overbodige zonnehoedjes en -petjes niet en de meegedragen flessen of flesjes mineraalwater, die de volledig verzorgde en gepamperde toerist de allure geven van een avontuurlijke en onverschrokken woestijnverkenner die op de ergste hitte en droogte is voorbereid. Aan de overwegend bleke kleur van mijn land- en leeftijdgenoten is te zien dat ze juist in Lissabon aangekomen zijn - ik schat met een vroege TAP-vlucht van rond een uur of zes vanmorgen - en dat ze nu, zojuist bij het hotel opgehaald, hun eerste blikken op het centrum van de stad werpen. Druk pratend en rondkijkend begeven de meeste van hen zich naar “ mijn “ terras”, nagekeken door de buschauffeur, die op zijn stoel blijft zitten en met een verveeld gezicht een sigaret opsteekt, het zal zijn tijd wel duren. Twee dames in zomerkleuren maken aanstalten aan een tafeltje naast het mijne te gaan zitten en een van haar verzucht terwijl ze met een Nederlandse krant de stoel stofvrij slaat dat “ het nooit meer een gewone Koninginnedag zal zijn”. Nooit meer een gewone Koninginnedag, wat zullen we nu beleven, nooit meer volksdansen, nooit meer oude ambachten, wat is er gebeurd terwijl ik gisteren met de smaak van haring en oranjebitter in mijn mond en de naklank van een Hazes-koor in mijn oren een beeeetje verlieieieiefd van Bissau naar Lissabon vloog ! En dan maak ik uit de brokstukken van het gesprek tussen de twee vers ingevlogen Nederlandse dames op dat er een aanslag op Beatrix is gepleegd, nog voordat de viering goed en wel was begonnen en dat er doden zijn gevallen en dat het feest is afgelast. “Het is toch wat, we kunnen niet eens meer gewoon Koninginnedag vieren of er is al terrorisme”, verzucht de eerste dame nog een keer, ja dat is wel heel wat, en het woord “ terrorisme” maakt het nog gruwelijker en zorgwekkender, hoewel ik denk dat er volgend jaar gewoon weer gekoekhapt en zakgelopen wordt onder de minzame blik van de voltallige Oranjefamilie. Ik moet onwillekeurig aan de aanslag op Nino denken en realiseer me dat een vermoorde en verminkte president toch van een andere orde is dan een koningin die met de schrik vrijkomt. En waar de dader in Apeldoorn waarschijnlijk een verwarde man is, een beklagenswaardig individu zonder enige organisatie achter zich, zijn de daders in Bissau leden van een staatsinstelling, het leger, die hun historische rol spelen in een al decennia durende tragedie van wraak en wederwraak. De overeenkomst is dat in beide gevallen de dood van tal van eenvoudige mensen valt te betreuren omdat ze zich toevallig in de buurt van hun staatshoofd bevonden. Blijf uit de buurt van je staatshoofd, dat zou de les kunnen zijn. Als de dames zijn opgestapt lees ik in de door hen achtergelaten verfomfaaide krant dat de ambassades hun recepties op 30 april “ingetogen” zullen houden. Toch een aardig toeval dat “wij”, nog van geen aanslag wetend, ja, die had zelfs nog niet eens plaats gevonden, ons feestje al op 29 april gehouden hebben, allesbehalve ingetogen. Ik stap op, ga naar bed in hotel Alcobia, mijn kamer op de grens tussen Europa en Afrika. Morgen weer naar Zambia en van daaruit weer zo snel mogelijk terug naar huis, naar Guiné-Bissau, naar Bruno, se faz favor.